
Waarom blijven accijnzen op brandstof hoog in België en Nederland?
26/03/2026
De brandstofprijzen in Europa stijgen opnieuw fors.
Geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten en onzekerheid op de oliemarkt hebben de prijzen aan de pomp opnieuw richting crisisniveaus geduwd. Toch blijven België en Nederland voorlopig opvallend terughoudend. In verschillende Europese landen grijpen regeringen al in met tijdelijke accijnsverlagingen, subsidies of btw-maatregelen om burgers en bedrijven te ondersteunen. Maar in België en Nederland gebeurt voorlopig… niets.
Hogere brandstofprijzen betekenen ook hogere belastinginkomsten
Een van de minder besproken aspecten van hoge brandstofprijzen is dat overheden er financieel van profiteren. De prijs van benzine en diesel bestaat grotendeels uit belastingen: accijnzen en btw. De btw wordt bovendien berekend op het volledige bedrag aan de pomp, dus inclusief accijnzen.
Dat betekent dat wanneer de brandstofprijs stijgt, ook de btw-inkomsten automatisch toenemen.
Met andere woorden: hoe duurder benzine wordt, hoe meer belastinginkomsten de overheid ontvangt, zonder dat er iets aan de tarieven moet veranderen. Dat mechanisme verklaart gedeeltelijk waarom de druk vanuit politiek en samenleving steeds groter wordt om accijnzen tijdelijk te verlagen.
Verschillende Europese landen grijpen al in
In veel andere Europese landen wordt ondertussen wél ingegrepen.
Italië verlaagt tijdelijk de accijnzen met 25 cent per liter, terwijl Oostenrijk een kleinere verlaging van 5 cent per liter invoert.
Spanje gaat nog verder met een breed steunpakket ter waarde van ongeveer 5 miljard euro, waaronder een verlaging van de btw op brandstof.
Ook Polen neemt stevige maatregelen: de btw op brandstof wordt verlaagd van 23% naar 8%, terwijl accijnzen tot het minimum worden teruggebracht dat volgens Europese regelgeving mogelijk is.
Sommige landen hanteren zelfs structurele prijsregulering. In Malta bijvoorbeeld wordt de brandstofprijs rechtstreeks door de overheid gecontroleerd, waardoor benzine daar stabiel rond 1,34 euro per liter blijft.
Kortom: ingrijpen in de brandstofprijs is binnen Europa allesbehalve uitzonderlijk. En net daarom valt de houding van België en Nederland zo op.
België: begrotingsdruk en Europese coördinatie
In België is diesel recent boven 2,28 euro per liter gestegen, een historisch record. Toch blijft de federale regering voorlopig afwachtend.
Nochtans beschikt België over een instrument dat speciaal bedoeld is om extreme prijsstijgingen te temperen: het omgekeerde cliquetsysteem.
Dat systeem verlaagt automatisch de accijnzen wanneer de brandstofprijzen boven een bepaalde drempel stijgen. Tijdens de energiecrisis van 2022 werd het al eens toegepast. Maar vandaag blijft het voorlopig in de lade. De redenen zijn voornamelijk tweeledig:
Begrotingsdiscipline: België kampt met een hoge staatsschuld en stijgende rentelasten. Elke verlaging van accijnzen betekent onmiddellijk minder inkomsten voor de federale begroting.
Europese afstemming: De regering wacht mogelijk op een bredere Europese aanpak voordat ze zelf ingrijpt.
Voor Belgische automobilisten betekent dat voorlopig simpelweg dat ze de volledige impact van de internationale olieprijzen blijven voelen.
Nederland: toenemende politieke druk
Ook in Nederland groeit de druk op de regering. De brandstofprijzen liggen inmiddels hoger dan tijdens de energiecrisis van 2022, toen tijdelijke accijnsverlagingen werden ingevoerd.
Toch heeft de regering voorlopig geen nieuwe maatregelen aangekondigd. Hoewel het debat in de politiek en media steeds luider wordt, lijkt Den Haag eerst te willen afwachten hoe de internationale situatie evolueert. Voor veel automobilisten wekt dat de indruk dat de overheid hoge brandstofprijzen bewust laat voortbestaan.
De grotere context: de energietransitie
Er is echter nog een andere factor die zelden expliciet wordt uitgesproken. Europa voert momenteel een van de meest ingrijpende mobiliteitstransities uit zijn geschiedenis.
Denk bijvoorbeeld aan:
het geplande verbod op nieuwe verbrandingsmotoren vanaf 2035
strengere CO₂-normen voor autofabrikanten
het nieuwe ETS2-systeem, dat vanaf 2027 ook CO₂-kosten op brandstoffen zal invoeren
Al deze maatregelen hebben hetzelfde doel:
het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen. Hoge brandstofprijzen werken (bewust of onbewust) in datzelfde richting.
Elektrische wagens worden aantrekkelijker.
Bedrijven herbekijken hun wagenpark.
Consumenten beginnen anders naar mobiliteitskosten te kijken. Vanuit klimaatbeleid bekeken vormen dure brandstoffen dus geen probleem, maar eerder een versneller van de energietransitie.
Ook bedrijven voelen de gevolgen
De impact van stijgende brandstofprijzen beperkt zich niet tot particuliere automobilisten. Voor bedrijven met wagenparken of logistieke activiteiten vormen brandstofkosten vaak een van de grootste uitgavenposten.
Wanneer de prijs aan de pomp stijgt, verdampen marges onmiddellijk. Vooral sectoren die moeilijk kunnen elektrificeren (zoals transport, bouw of landbouw) voelen de druk bijzonder sterk. Daarom raakt het debat over brandstofprijzen steeds vaker ook aan bredere economische vragen over concurrentievermogen en energiebeleid.
AutoNext Take
Wat hier gebeurt, illustreert perfect de spanning tussen kortetermijnpolitiek en langetermijnbeleid. Enerzijds verwachten burgers dat overheden ingrijpen wanneer energieprijzen exploderen. Tijdens de energiecrisis van 2022 gebeurde dat ook effectief in veel landen.
Anderzijds proberen dezelfde overheden de overgang naar elektrische mobiliteit te versnellen. Accijnzen verlagen helpt automobilisten vandaag. Maar het vertraagt ook de verschuiving weg van fossiele brandstoffen.
Dat plaatst beleidsmakers voor een ongemakkelijke keuze. De vraag is dus niet of regeringen kunnen ingrijpen. De echte vraag is of ze dat nog willen. En als de huidige trends zich doorzetten, zou het wel eens kunnen dat hoge brandstofprijzen geen tijdelijke crisis meer zijn, maar simpelweg het nieuwe normaal voor de Europese automobilist.


